Het is een goed gebruik voor essayisten om eieren uit te broeden in het feestjaar van een genie. Daarbij stuurt de tijdgeest in een bepaalde richting. In 1936 was er aandacht voor Erasmus als vredesapostel, preker van verdraagzaamheid en militant humanist: daarvoor zorgden Johan Huizinga, Jan Romein en Annie Verschoor, Nico van Suchtelen, Bart de Ligt en Menno ter Braak. Het artikel van de laatste was opmerkelijk. Hij baseerde zich op een toen recente keuze uit de brieven, waarvan de bezorgers hadden gesteld dat die het meest tot een werkelijke ontmoeting met Erasmus zouden leiden.i Daaruit kwam volgens Ter Braak een strijdbare Erasmus te voorschijn, een in hoge mate polemisch man die zijn humor toespitste in de hatelijkste sarcasmen: ‘het is juist deze “tegenmelodie” die aan Erasmus en zijn ideaal van de “goede letteren” de eigenlijke bekoring verleent’.ii Erasmus was zelf niet gematigd, verdraagzaam en zachtmoedig: dat hij daarvoor pleitte was geen bewijs dat hijzelf al die schone eigenschappen bezat. Zijn venijnige scherpte maakte hem tot de ‘militante humanist’, waaraan in de jaren dertig behoefte bestond. Tempora mutantur, Erasmus mutatur in illis, parafraseerde Ter Braak: de tijden veranderen, Erasmus verandert mee.