Voordracht Leo Molenaar

Verslag van de voordracht van Leo Molenaar in het verzetsmuseum te Gouda op 25-2 -2016

Het is vandaag 75 jaar geleden dat de Februaristaking van 1941 uitbrak, in solidariteit met de Joodse mensen die door de Duitse bezetter werden uitgeroeid. Een weergaloze daad in Europa. Ik vind het een erg geschikte dag om over vrede en Erasmus te praten in het Goudse Verzetsmuseum. Ik dank het bestuur voor de uitnodiging.

De zeggingskracht van de Dulce Bellum Inexpertis (1515-1517); actualiteit en citaten:
Als vredesactivist van de jaren tachtig, de tijd van 550.000 demonstranten in 1983 in Den Haag tegen de plaatsing van de atomaire kruisraketten, – ik was namens de CPN lid van het landelijke Komitee Kruisraketten Nee (KKN) – , was Erasmus bij mij geliefd om zijn bijna absolute pacifistische standpunt. Ik las indertijd de Dulce Bellum Inexpertis, vertaald: Zoet is de oorlog voor wie hem niet kennen (1515-1517): een geschrift van 500 jaar geleden. Ik wijdde de eerste illustraties in mijn dissertatie (1994) aan Erasmus en deze publicatie. Erasmus, die dit jaar 550 wordt, bleek een leidsman van de vredesactie, en ik las daarna veel van hem. Voor destijds en vandaag de dag vind ik de actualiteit van Erasmus’ vredesbeschouwingen treffend.

Ik wil aansluiten op filosofe Marli Huijer, de Denker des Vaderlands, die als Nieuwjaarsgroet in Trouw heeft geschreven dat Erasmus ons de weg wijst uit een wereld vol geweld. Erasmus bevordert actief de vredesgedachte en heeft snoeiharde kritiek op zijn christelijke tijdgenoten die de vrede met de mond beleden maar als puntje bij paaltje kwam voor oorlog kozen. Huijer schrijft dat Erasmus bedenkt wat vrede precies inhoudt, wat vrede aan goeds oplevert en hoe we vrede tot stand moeten brengen en vasthouden. Dat kan via wetten, onderhandelingen en samenwerking. Het kan door wijze bestuurders te kiezen die niet hun eigenbelang najagen, en die kunnen lachen om een belediging: het wereldwijd tegengaan van oorlog zou in de geest van Erasmus de eerste opdracht van het huidige Europa moeten zijn. Dat zou volgens haar aansluiten bij de ervaring van na 1945 in Europa: “je moet alles op alles zetten om die boodschap van vrede handen en voeten te geven”.

Ik denk aan de recente beslissing van de regering-Rutte om mee te doen aan de bombardementen met F16’s op Syrië, een daad waar de nieuwe regering van Canada op terugkwam. Vluchtelingen voor die bombardementen komen in Europa, waar ze godbetert voor velen niet welkom zijn. In NRC stond enkele maanden geleden een artikel “Inmenging Rusland in Syrië”, met de onderkop ‘Russen boden in 2012 aan Assad te lozen’. Ik citeer:

“Al in 2012 heeft Rusland voorgesteld de Syrische president Assad te laten aftreden in het kader van een vredesakkoord. Dit zei de Finse oud-president Martti Ahtisaari, destijds bemiddelaar voor Syrië, in een gesprek met The Guardian. Zo hadden mogelijk tienduizenden levens kunnen worden gered. De Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Frankrijk negeerden dit aanbod volgens Ahtisaari echter, omdat ze dachten dat Assad toch wel spoedig zou vallen. Het aanbod kwam voor in een plan van de Russische ambassadeur bij de Verenigde Naties, Vitali Tsjoerkin. Als het vredesoverleg op gang was, zou Assad het veld ruimen. De Russen zijn al decennia een cruciale bondgenoot voor het Syrische regime en hebben daarom veel invloed in Damascus.”

Wat betekent dit? De VS en Frankrijk blokkeerden in 2012 de weg naar onderhandelingen. Zij waren daardoor mede verantwoordelijk voor de huidige vluchtelingenstroom en ze vroegen onlangs de Nederlandse regering om mee te bombarderen. Zou het niet meer voor de hand liggen om vanuit de lucht de bevolking van uitgehongerde steden en streken van drank en voedsel te voorzien, net als in 1945? Erasmus zou dat in ieder geval ten stelligste hebben aanbevolen.

Ik wil met u vier lange citaten doornemen uit Zoet is de oorlog…, dit vredesepos van Erasmus, want zo wil ik die brochure toch wel noemen, steeds in het licht van een actualiteit die ik summier in cursief aanduid:

Na het besluit van de regering-Rutte Syrië tw bombarderen: een onzalige en lichtzinnige beslissing.

Erasmus: “Zo er nu iets ter wereld is dat men moest schromen te beginnen, ja dat men geheel en al behoorde te vermijden, te verfoeien en uit te bannen, is het stellig de oorlog, vermits er niets goddelozer, rampzaliger, verderfelijker, hardnekkiger, schandelijker, kortom de mens, om niet te zeggen de christen, onwaardiger bestaat. Toch is het verwonderlijk hoe gemakkelijk, hoe onberaden en om hoe geringe redenen heden ten dage een oorlog wordt ondernomen en hoe wreed en barbaars hij wordt gevoerd; niet alleen door heidenen, maar zelfs door christenen; niet alleen door gewone mensen, maar zelfs door pausen en bisschoppen; niet alleen door jonge en onervaren lieden, maar ook, en ondanks herhaalde ondervinding, door ouderen; niet alleen door het gemene volk, van nature onbestendig, maar bovenal door de vorsten, wier taak het toch juist zou zijn de overijlde roerigheid der verdwaasde massa door wijsheid en rede tot rust te brengen. Zelfs ontbreekt het niet aan rechts- en godgeleerden die deze misdadige gezindheid aanwakkeren en door hun goedpraten van zoveel schandelijks de gloeiende verontwaardiging van anderen – zoals men dat noemt – een koude douche geven. Zodat dan thans de oorlog iets zo alledaags is geworden dat men zich er bijna over verbaast wanneer hier of daar iemand er geen behagen in schept. Zozeer in aanzien zelfs dat het een goddeloosheid, ik zou bijna zeggen een ketterij lijkt, de oorlog als iets volstrekt misdadigs en tevens bovenmate rampzaligs te veroordelen.”

We leven thans 100 jaar na Wereldoorlog I, honderd jaar nadat in 1916 de grootvader van auteur Stefan Hertmans, getuige diens Oorlog en Terpentijn (2014), drie keer achtereen in de rug werd geschoten in de loopgravenoorlog van de Vlaamse IJzerhoek. Geen mens dacht in 1914 aan een nabije oorlog. In 2016 leven we met de angst dat oorlog naderbij komt.

Erasmus: “En dan spreek ik nog niet eens van de bij het voorgaande vergeleken alledaagser en geringer gruwelen: de velden alom vertrapt, hoeven verwoest, dorpen verbrand, het vee weggedreven, maagden verkracht, grijsaards in gevangenschap gevoerd, heiligdommen ontwijd; alles gepaard met diefstal, plundering en gewelddadigheden. Om maar helemaal te zwijgen van datgene wat zelfs de gelukkigste en rechtvaardigste oorlog pleegt te volgen: een uitgemergeld volk, een zwaar belaste regering. En hoeveel grijsaards stierven er niet van smart om de dood hunner zonen; hoeveel oude vrouwen werden er niet verlaten en wreder dan door het zwaard omgebracht! Hoeveel huizen verwoest, hoeveel rijken tot armoe gebracht! En is het nog nodig te gewagen van het algemeen bederf der zeden, waar toch iedereen weet dat deze grootste plaag des levens overal gelijktijdig met de oorlog opduikt? Verachting van alle rechtschapenheid, schending van alle wetten, een mentaliteit tot iedere misdaad in staat. Uit deze bron welt die eindeloze schare van bandieten, rovers, heiligschenners en moordenaars. En het ergst van al is, dat deze zo verderfelijke plaag zich niet tot zijn eigen gebied kan bepalen. In een of ander uithoekje ontstaan, breidt hij zich niet alleen als een besmettelijke ziekte uit over de naburige landstreken, maar sleept hij ook verafgelegen landen, hetzij ter wille van de soldij, hetzij tengevolge van vorstelijke verwantschap of bondgenootschap in het algemeen tumult en de storm der gebeurtenissen mee. Zo ontstaat oorlog uit oorlog; uit een schijnoorlog een echte, uit een kleine een grote.”

Na de jihadistische misdaad van 11 september 2001 wilden de VS en ook bondgenoot Nederland de daders straffen, ook als de onschuldige bevolking van complete landen daarvoor moet boeten.

Erasmus: “ Maar – voert men aan – het is geoorloofd een misdadiger te bestraffen en dus mag men ook een gehele staat straffen met oorlog. Wat hier tegen in te brengen valt is waarlijk te veel om op te noemen. Ik wil hier alleen opmerken dat er dit verschil bestaat: dat een veroordeelde gestraft wordt krachtens de wet, terwijl in de oorlog beide partijen elkaar als schuldig beschouwen. Hier valt het kwaad alleen ten deel aan hem die kwaad deed, tot voorbeeld voor allen; ginds komt het grotendeels neer op hen die het ’t minst verdienen, namelijk boeren, grijsaards, vrouwen, kinderen en maagden. En als deze slechtste zaak ter wereld nog enig voordeel kan opleveren, komt dit alleen de allerergste moordenaars ten goede: huursoldaten, vermetele rovers en misschien enkele veldheren, wier tactiek de oorlog heeft veroorzaakt en wie het nooit beter gaat dan juist wanneer de gemeenschap het dichtst bij de ondergang staat. Hier wordt een enkeling niet gespaard ter wille van aller belang; daar vermoorden wij duizenden mensen die niets misdaan hebben om de misdaad van enkelen, misschien zelfs van een enkele, te wreken. Het ware beter de misdaad van enkelen ongestraft te laten dan, door de een of ander een onzekere straf op te leggen, tevens onszelf, onze buren en onze onschuldige zogenaamde vijanden in zeker gevaar te brengen. Het is verstandiger een wond die niet zonder groot gevaar voor het hele lichaam kan genezen, maar zo te laten. En wanneer iemand het onrechtvaardig mocht vinden een misdadiger niet te straffen, zo antwoord ik dat het nog veel onrechtvaardiger is zoveel duizenden onschuldige mensen in de diepste ellende te storten.”

In de jaren van Erasmus’ geschrift, had paus Julius II opgeroepen tot een kruistocht tegen de Ottomaanse Turken die Zuid- en Midden-Europa binnenvielen. Erasmus trad daartegen op.

Erasmus: “Voorwaar, het lijkt mij nog niet zo prijzenswaard dat wij op het ogenblik oorlog voeren tegen de Turken. Het is al heel slecht gesteld met de christelijke godsdienst als zijn behoud van dergelijke middelen als oorlog afhangt. Ik kan evenmin toegeven dat men door deze methode goede christenen kweekt. Wat door het zwaard verkregen wordt gaat ras weer door het zwaard teloor. Wilt gij de Turken tot Christus brengen, laten we hun dan noch onze rijkdom, noch onze soldaten, noch onze macht tonen! Laten zij in ons niet alleen de naam zien, maar de onmiskenbare kenmerken van den christenmens: een vreedzaam leven, het streven om wel te doen, zelfs onze vijand; een onoverwinnelijke lijdzaamheid in alle ongeluk; versmaden van geld en roem; een nederig bestaan. Laat hen horen dat de hemelse leer in overeenstemming is met zulk een levenswijze. Door zulke wapenen zullen de Turken het best overwonnen worden. Maar thans strijden wij maar al te vaak als zelf slechten tegen slechten, ja ik beweer: als wij de naam en het kruisteken weglieten, zouden wij strijden als Turken tegen Turken. Zo inderdaad de godsdienst gesticht is door krijgslieden, versterkt door het zwaard, verspreid door de oorlog – ja, laat ons hem dan met dezelfde middelen verdedigen. Maar zo hij door andere middelen tot stand kwam, waarom zullen wij dan, alsof wij aan Christus’ hulp vertwijfelden, onze toevlucht nemen tot heidense praktijken? (…) Meent ge werkelijk dat ge christelijk handelt wanneer ge, door een aantal goddelozen – maar die dan toch ook mensen zijn voor wier behoud Christus is gestorven – te vermoorden, de duivel een welkom offer brengt en de aartsvijand dubbel verblijdt: ten eerste omdat er een mens gedood werd en ten tweede omdat het een christen was die hem doodde? Velen trachten, om maar goede christenen te schijnen, de Turken zoveel mogelijk kwaad te doen of vervloeken hen althans, voor zover zij tot kwaad doen niet bij machte zijn. Op deze manier valt niet veel christelijks te bereiken. Help liever de Turken, maak ze van goddeloos vroom, zo ge kunt, en zo ge het niet kunt, streef er dan naar, opdat ik tenminste uw christelijke gezindheid kan erkennen.”

Geschreven in 1515, en gedrukt te Bazel bij Johannes Frobenius, april 1517.

Stichting Huis van Erasmus geeft deze vredestekst van Erasmus opnieuw uit voorzien van een actueel commentaar. Ik ben via het laatste citaat al begonnen met een polemiek, een meningenstrijd, die ik in het vooruitzicht stelde. U zag in het laatste citaat dat een aanvalsoorlog tegen de Turken, een kruistocht tegen de islam, Erasmus vreemd was: wel vond hij als relatieve pacifist een verdediging tegen een aanval toelaatbaar. Want ik moet de verdwaalde mensen, soms zelfs geleerden, van repliek dienen die Erasmus verwijten dat hij een moslimhater was en op die grond de Turken wilde aanvallen – een verwijt dat nergens op is gebaseerd – en dat hij een antisemiet zou zijn, – een verwijt dat eveneens uit de lucht is gegrepen.

Ik ga verder met die polemiek, en geef eerst mijn motief daarvoor.

Wikipedia en de ‘eerroof’ van Erasmus; een schokkende ontmaskering

Bij deze meningenstrijd rond Erasmus raakte ik betrokken door mijn werk als leraar op het Rotterdamse Erasmiaans Gymnasium, en ook door mijn bestuurslidmaatschap van de stichting Huis van Erasmus. Louise Langelaan, ook bestuurslid, schreef in 2007 Erasmus voor de Klas voor kinderen van 12 (deel 1, en van 15 jaar (deel 2, Op initiatief van een collega geschiedenis lazen leerlingen van drie tweede klassen in 2008 ons deel 2, en mijn collega gaf de opdracht om een brief aan Erasmus te schrijven (voor een cijfer!!). Na het doornemen van ons boekje kozen dertig leerlingen voor het thema ‘Erasmus en de Joden’, dat in onze tekst zo niet voorkwam Ze lazen het lemma Erasmus en de Joden op Wikipedia: en slikten de tekst voor zoete koek. Ze namen Erasmus kwalijk dat hij “geen Reuchlinist” was, omdat deze humanist anders dan Erasmus wél voor de rechten van Joden zou zijn opgekomen Een meisje schreef dat het haar verdrietig maakte dat na de Holocaust “nog steeds uw denkbeelden over de Joden voortleven” en een jongen beweerde “U accepteerde de Joden niet, u was bereid om tot het uiterste te gaan om ze weg te hebben” Er waren leerlingen die schreven dat ze trots waren geweest op de naam van hun school, maar nu niet meer.

Zo indringend en zo richtinggevend zijn de beschrijvingen van Wikipedia. Later bleek mij dat niet alleen leerlingen zich laten inpakken, maar ook auteurs en cultuurdragers van naam. Zelfs geleerden namen aan dat er wel iets in brand zou staan als er zoveel rook was. Zo dacht de historicus Herman Pleij, hier in Gouda bekend, dat Erasmus wat betreft antisemitisme nog ‘light’ was maar dat hij zeker een fervent moslimhater was. Welnu, ik ken Erasmus persoonlijk door het lezen van de Dulce, van zijn Colloquia, de Lof der Zotheid, en van tal van brieven en publicaties, en ik wist daardoor dat dit beeld niet klopte.

Ik gaf mezelf de opdracht na te gaan wat hier aan de hand was. Het kostte me een jaar om dat in 2010 in opdracht van het Rotterdams Jaarboekje uit te zoeken Maar het lukte wonderwel. Er zijn daarbij vier namen voor u chronologisch van belang. Die van de Joodse, in Praag geboren rechtssocioloog Guido Kisch, – hij vluchtte in de jaren dertig voor de nazi’s – , die in het Erasmusjaar 1969 in een brochure, Erasmus’stellingname ten opzichte van joden en het jodendom, Erasmus als vermeende antisemiet heeft gebrandmerkt. De tweede naam is die van de Joodse geleerde Shimon Markish, die in Rusland tussen 1969 en 1975 de beweringen van Kisch verifieerde door Erasmus’ hele oeuvre door te nemen op duizenden verwijzingen naar joden en jodendom: van de beschuldigingen van Kisch bleef in Markish’ Erasmus en de Joden, niets overeind. In de jaren tachtig en negentig kwamen twee Nederlanders naar voren, die zich baseerden op de aanklacht van Kisch en die Markish’ werk negeerden. De theoloog Heiko Oberman schreef Wortels van het antisemitisme (1981) en ook de biografie van kerkhervormer Maarten Luther (1993): hij ontdekte dat die op latere leeftijd antisemiet was geworden. Hij wist het met behulp van Kisch’ publicatie zo te draaien dat Luthers oudere tijdgenoot Erasmus een nog ergere antisemiet zou zijn dan Luther: voor die prestatie kreeg hij in Nederland zelfs een lucratieve prijs. Ook de theoloog Hans Jansen, niet de arabist, die in Rome als katholiek promoveerde, een protestantse zielenherder werd en in joodse kring voet aan de grond kreeg, bleef Erasmus met behulp van het werk van Kisch en Oberman aanvallen. Hij schreef het lemma ‘Erasmus en de Joden’ op de Nederlandse Wikipedia.

Ik probeer de kern van de bijdragen van deze vier hoofdrolspelers zo eenvoudig mogelijk weer te geven. Belangstellenden kunnen vanavond mijn essay voor het RJb meenemen, en overigens staat het op mijn website www.leomolenaar.nl/nieuws/erasmus.

Guido Kisch: geen begrip voor Erasmus’ sarcasme en een onjuiste voorspiegeling 

Na het nazisme en de Holocaust gingen mensen zich afvragen of er voorlopers waren geweest in het Duitse taalgebied, die de weg voor Hitler hadden geplaveid. Kisch vroeg zich af of Erasmus dat soms geweest kon zijn, hoewel die in het Latijn schreef. Er is in diens gepubliceerde werk geen spoor van antisemitisme te bekennen. Toch kwam Kisch in 1969 met verrassend nieuws. Op basis van een eigen selectie van Erasmus’ brieven had hij slechts dertig pagina’s nodig voor een exposé van Erasmus’ vermeende pathologische Jodenhaat.

 

(Tussen haakjes Even over Erasmus’ brieven, waarin, anders dan in het tijdens zijn leven gepubliceerde werk, een polemische en venijnige Erasmus u toespreekt. De historicus Herman Pleij, u nog steeds bekend, beklemtoonde in zijn Erasmus en het poldermodel van tien jaar geleden dat diens ‘ironische hyperbool’, overdrijving, vaak voorkomt in Lof der Zotheid, maar vooral in de brieven. Al in 1494, hij is dan 28 jaar, haalt Erasmus vol uit naar monniken die de Latijnse klassieken niet lezen: “Het zou hun verdiende loon zijn als iedereen ze zou haten en men ze in zakken genaaid, met hun boeken en al, in de Tiber zou werpen.” Is Erasmus’ hoed gestolen, dan moet de dief sterven en helse pijnen lijden, “pest en tering, schurft en koorts” zijn wel de minste straf. Volgens Pleij loopt er “een rechte lijn van Erasmus naar de overdadige cabaretcultuur met het prominente afzeiken van nu”. Zo staan er in de brieven overdrijvingen en onsmakelijke grappen over iemands naam, uiterlijk of genitaliën. Er zijn brieven waarin Erasmus zich incorrect uitlaat over Joodse mensen en het jodendom. Welnu, in zijn Erasmus zu Juden und Judentum presenteerde Kisch in vier hoofdstukjes vijfentwintig door hem uitgekozen briefcitaten die antisemitisch zouden zijn. Ik ga slechts in op twee beslissende, onhoudbare kwesties bij Kisch.)

Kisch schrijft zeer uitvoerig over de verhouding van Erasmus tot het Hebreeuws. Hij doet het voorkomen alsof Erasmus geen steun gaf aan de humanist Reuchlin die zich destijds verzette tegen de verbranding van joodse boeken door de inquisitie. Dat is aantoonbaar onjuist voor de volle 100%. Erasmus schreef een reeks van brieven die Reuchlin steunden aan de autoriteiten, tot aan kardinalen toe. Deze steun droeg eraan bij dat paus Leo X zich in 1516 uitsprak tegen de dominicanen die onder aanvoering van de inquisiteurs Pfefferkorn en Hoogstraten de algemene verbranding van joodse boeken wilden doorvoeren. Het is typerend dat Kisch “de beroemdste leerinstelling van Europa, het Collegium Trilingue dat in 1517 in Leuven werd gesticht” in deze woorden vermeldt zonder de initiatiefnemende en inspirerende rol van Erasmus bij dat drietalige college te noemen. Erasmus had geprobeerd op latere leeftijd Hebreeuws te leren, en had niet het meesterschap bereikt van zijn Latijn en Grieks: daarom wilde hij dat jonge theologen meteen Hebreeuws zouden kennen. Kisch’ tweede en derde hoofdstuk missen elk fundament omdat ze Erasmus tegenover Reuchlin plaatsen. De zielsverwantschap tussen Reuchlin en Erasmus is onloochenbaar, en de joden- en ketterjagers vervolgden hen beiden. Kisch plaatst het lieflijke beeld van de Jodenvriend Reuchlin tegenover de pathologische Jodenhater Erasmus: een onhoudbare constructie. Op een overzicht van Kisch’ (1889-1985) rechtssociologische werk staan op Internet tientallen publicaties. Zijn brochure tegen Erasmus ontbreekt.

 

In zijn eerste hoofdstuk behandelt Kisch tien citaten, waaruit moet blijken dat Erasmus de Joden haat. Tot die tien, waarvan er enkele tekstkritisch maar niet antisemitisch zijn, behoort citaat 4, een sleutelcitaat door de laatste zin. Erasmus schreef in een brief aan de Keulse inquisiteur Jacob Hoogstraten:

 

“Niets anders wordt er bij Reuchlin behandeld dan dat hij de Joden geen onrecht wil doen lijden. Waarom wordt er zoveel krachtsinspanning aangewend om de Joden gehaat te maken? Is er onder ons ook maar iemand te vinden, die dit soort mensen niet genoeg verwenst? Als het haten van Joden een kenmerk is van authentieke christenen, zijn we allen uitstekende christenen.

Kisch neemt die slotzin letterlijk, terwijl het bij Erasmus een sarcasme is; een grap. Overigens had Kisch gelijk met zijn vermoeden dat er een antisemitische ‘voorloper’ van de nazi’s was geweest: hij had er beter aan gedaan de late geschriften van de Duitstalige volksschrijver Maarten Luther open te slaan.

 

Shimon Markish, Erasmus en de Joden: van antisemitisme geen sprake

 

De Rus Markish constateerde dat Kisch slechts werkte met de correspondentie van Erasmus, waardoor ieder fundament ontbreekt voor het trekken van conclusies. Ook realiseerde Kisch zich niet dat Erasmus een christelijk theoloog was, naast filoloog, schrijver en opvoeder. Het christendom groeide in zijn strijd tegen het judaïsme, en alle christelijke literatuur is doordrenkt van de afwijzing van de joden die Christus niet als de Messias hebben willen erkennen, te beginnen met het evangelie, en later in het werk van de kerkvaders en van grote geleerden van de katholieke kerk zoals Erasmus zelf. Daarna onderscheidt Markish een relatieve zwaarte: een brief die indertijd niet voor publicatie is bestemd is niet te vergelijken met een geschrift dat Erasmus enkele malen zelf heeft geredigeerd zoals zijn Adagia of zijn Parafrases op het Nieuwe Testament. Geen enkele van Erasmus’ commentaren op het Nieuwe Testament bevat ook maar het minste ophitsende woord tegen zijn joodse tijdgenoten, hoewel de Bijbeltekst daartoe alle aanleiding geeft. Erasmus stelt nergens voor om Joden te haten, voedt geen lage hartstochten bij de menigte, wekt niet op tot pogroms; integendeel.

Zo is citaat nummer vier bij Kisch afkomstig uit de lange brief van Erasmus aan Hoogstraten van augustus 1519. In diens Destructio Cabalae van april had die Keulse inquisiteur Erasmus ervan beschuldigd dat hij in zijn commentaren op het Nieuwe Testament ketterse ideeën over echtscheiding had verkondigd. Erasmus voerde in zijn weerwoord de kerkvader Origenes op die in debat met de heidense Celsus, een vijand van Christus, deze vriendelijk bleef bejegenen. Verderop had Erasmus zich tot Hoogstraten gericht met: Als het haten van Joden een kenmerk is van authentieke christenen, zijn we allen uitstekende christenen. De sarcastische ironie van Erasmus is voor Markish evident door de parallel met Celsus: als het typisch zou zijn voor de christelijke vroomheid om te beledigen, dan zou Origenes de heiden Celsus wel beledigd hebben. Klaarblijkelijk is beledigen geen teken van vroomheid, en is het haten van Joden geen kenmerk van een goede christen.

 

De bezoeker kan zich dicht bij Erasmus wanen: als ze bijvoorbeeld zijn gouden zegelring met Cedo nulli van dichtbij bekijken als ze het originele portretje van Lucas Cranach tegen een uitzonderlijke, helblauwe achtergrond bewonderen of als ze de schitterende scharlaken Erasmusinterpretaties van Neel Korteweg op zich laten inwerken. Herman Pleij bewerkte een lange tekst die Willem van Oranje, die kun je allesbehalve de Zwijger noemen, afstak voor landvoogdes Margaretha van Parma en de Raad van State, Kerst 1564 aan de vooravond van de Beeldenstorm, het iconoclasme van de Verenigde Nederlanden. Het blijkt dat de tekst van Oranje, op instigatie van zijn raadsman Dirk Coornhert, een loepzuivere erasmiaanse tekst is. De verhandeling van Erasmus blijkt de leidraad te zijn bij de losmaking van de Nederlanden van de Spaanse tirannie: een prachtige vertolking van Waldemar Torenstra, mis dit hoogstandje niet. Maar ik wil het met u hebben over de tekst van Pleij in de Museumgids. Die schrijft”, of kopieert, in het stukje ‘Tegen ritueel en overdaad’ de volgende volzin: “Als de verplichting om op één plaats te blijven een deugd heette, verdienden rotsen en bomen de hoogste lof”. Herinnert u zich Erasmus’ frase hiervoor, zoals geduid door Markish? Die verplichting onbeweeglijk te blijven is voor Erasmus evenwel geen deugd, en rotsen en bomen verdienen dan ook die lof niet. Hier hebben we het actueel gemaakte geintje van Erasmus, waar Kisch, en zoals we straks zullen zien de Nederlanders die in zijn voetspoor treden, vijf eeuwen na dato zo’n moeite mee lijkt te hebben.)

Terug naar de brief aan Hoogstraten van zomer 1519. Erasmus gaat zelfs moedig in de aanval tegen de inquisiteur. Markish noemt de hele brief een briljant voorbeeld van Erasmiaanse ironie; de tekst lijkt naïef, maar is grievend:

 

“Wat jouw karakter betreft, op dat punt lopen de meningen uiteen. Sommigen beweren dat je een aangenaam persoon bent, zij het wat instinctmatig. Maar er zijn er heel wat die daarentegen denken dat ambitie en hebzucht jouw grootste raadgevers zijn, en dat jij je door je meer dan tirannieke trots boven allen wilt verheffen, terwijl jouw onverzadigbare honger naar bezittingen je drijft tot het inpikken van de goederen van Joden.”

Het citaat is dus niet antisemitisch zoals Kisch beweerde. Markish stelt ook algemene aspecten van de ‘erasmiaanse’ levensvisie aan de orde, die opdoemen wanneer hij diens werk op het punt van de Joden heeft doorgeploegd. In een commentaar uit 1519 op Mattheus 23 vers 15, verwerpt Erasmus geheel en al de gedwongen doop van joden. Hij werpt zelfs de vraag op naar het nut van de bekering van joden tot christenen in het algemeen. Erasmus nam als basis de profetie van Paulus in Romeinen 11 over het heil van Israël aan het einde der tijden: dat is een goddelijk wonder. De gedwongen doop raakte een open zenuw bij Erasmus: het is geweld tegen mensen die geen verweer hebben.

 

“De apostel Paulus heeft in zijn brief aan de Romeinen ons hoop gegeven: de Joden zijn niet zo verstokt dat zij voor altijd zijn gevallen, en hij voorspelde, het mysterie ontsluierend, dat als alle heidenen in de kerk zijn getreden ook de Joden opnieuw redelijk zullen worden en heel Israël het heil zal vinden.”

Erasmus ervoer dat bekeerde Joden zich in veel opzichten ‘Jood’ blijven voelen: hij zag de Joden als een ‘volk’ dat moeilijk tot het christendom over te halen was, afgezien van individuele bekeerlingen onder wie hij vrienden had zoals Paul Ricius en Mattheus Adrianus.

In een briefwisseling uit 1526 met de Parijse theoloog Noël Béda kwam de kwestie opnieuw aan de orde. Béda achtte Erasmus een ketter omdat deze in zijn Parafrase op het evangelie van Mattheus had gepleit voor een hernieuwing van de doopgelofte door de volwassene zelf. Dit opende zelfs de weg naar een herroeping van het lidmaatschap van de kerk. Erasmus antwoordde:

 

“Men mag mensen niet verplichten om het christendom te belijden. Zo handelen we evenmin jegens de Joden (en terecht) hoewel die grotere vijanden van onze religie zijn. Men moet mensen niet dwingen om trouw te blijven aan het christendom als zij intussen de keuze die in hun jeugd voor hen is gedaan, niet goedkeuren. […] Als mensen afstand doen van hun geloof, mogen ze rustig onder ons leven net als de Joden aan wie men zelfs niet verbiedt om bij de erediensten in de kerken te zijn als zij maar niet de naam van Christus ontheiligen. Dat alles heeft maar één doel: dat er zuivere en authentieke christenen mogen zijn, en niet afgedwongen en schijnheilige christenen.”

Erasmus kende hier Joden het recht toe om, ook als zij het christendom afwijzen, onder en met christenen te leven. Het vraagstuk van de verdraagzaamheid jegens Joden behandelde hij tegen de achtergrond van zijn morele systeem: het gaat om verdraagzaamheid jegens hen die van ons verschillen. In een latere brief aan Béda uit 1532 veroordeelde hij de verdrijving van joden uit Spanje en de massale, gedwongen doop van hen die bleven. Hij ondersteunde voorts het recht van joodse ouders om hun kinderen op te voeden in een geest die trouw is aan het judaïsme, ook als dat gepaard gaat met besnijdenis. De theologen van de Parijse Sorbonne veroordeelden deze opvattingen van Erasmus en stelden dat de overheid joodse ketters moet uitroeien en dat geestelijke gezaghebbers het recht hebben om de oorlog te verklaren aan Turken, Joden en notoire ketters. Uit dit alles concludeert Markish dat er bij Erasmus geen plaats was voor haat noch voor speciale sympathie jegens Joden. Het ging Erasmus om het algemene idee dat verschillen in opvatting getolereerd moeten worden, en niet beantwoord met haat of geweld.

Dit algemene standpunt formuleerde hij eerder in een boekje dat in maart 1530 was verschenen, een uitleg bij Psalm 28, bekend geworden als De Turkenkrijg. Hij waarschuwde daarin opnieuw voor geweld tegen andersdenkenden zoals moslims en joden: “Verschillend denken is geen misdrijf: het christelijke geloof is een kwestie van inspiratie, en wordt niet met dwang opgelegd.” Ook moest volgens Erasmus het burgerlijke recht onpartijdig zijn jegens een ieder die terecht staat, onafhankelijk van diens religie, waarmee hij het principe van de ‘gelijkheid voor de wet’ formuleerde; bovendien mogen verschillen van opvatting geen voorwendsel zijn voor geweld. Deze gedachten rijzen organisch op als het hechte fundament van de ‘erasmiaanse’ conceptie van de wereld, stelde Markish.

Markish, wiens familie in Rusland zowel door Hitler als door Stalin was geteisterd, verliet de Sovjet-Unie in de jaren zeventig. Eenmaal in Frankrijk bezorgde hij de publicatie van de in de Moskou door Chroesjtsjov in 1962 verboden roman van Wasilij Grossman over de slag bij Stalingrad, Leven & Lot: naar mijn smaak een van de grootste boeken van de 20ste eeuw.

 

Oberman en zijn epigonen: Erasmus’ werk ‘een wortel van het antisemitisme’

 

Heiko Oberman (1930-2001) was van huis uit theoloog en is later (kerk)historicus geworden. Naar eigen zeggen vormde het proces-Eichmann (1961) in Jeruzalem de aanleiding voor zijn studie naar de wortels van het antisemitisme: het ging hem om de kwestie of christenen schuld hadden aan de eeuwenlange hetze tegen joden, en daarmee aan de Endlösung van de Nazi’s. Voor Oberman was het oordeel van Kisch over Erasmus van groot gewicht. Over Markish’ in 1979 in het Frans vertaalde boek schrijft hij simpelweg dat dit ‘geen nieuwe gezichtspunten levert’. In 1981 publiceerde hij zijn boek over de Wortels van het antisemitisme.

Oberman relativeert daarin de figuur van Reuchlin, die Kisch zo torenhoog had geplaatst. Maar hij valt Kisch bij in de onhoudbare opvatting dat Erasmus onverschillig stond tegenover de verbranding van joodse boeken en dat hij een ‘ diepgewortelde, mateloze Jodenhaat’ vertoonde. Daarbij verzwijgt hij, net als Kisch, dat Erasmus en zijn Collegium Trilingue in de voorhoede stonden van de strijd om het Hebreeuws en het recht van joden op hun eigen geloof, boeken en cultuur. Hij poneert dat Erasmus’ tolerantie een christendeugd is, waarbinnen voor de joden geen plaats is: het is slechts een pleidooi voor de vrijheid van meningsuiting van een christelijke geleerde. Oberman levert een moderne constructie die vandaag de dag onder sommige Rotterdamse intellectuelen opgeld doet: Erasmus is een blanke christen, die preekt voor eigen parochie, en die joden, moslims, ongelovigen of anders-gelovigen niets te bieden heeft. Obermans boek is de bron die toonaangevende Angelsaksische historici zoals Jonathan Israel en James D. Tracy hebben overgeschreven bij hun eigentijdse exposés over Erasmus’ vermeende antisemitisme.

Aan het eind van deel I van zijn Wortels van het antisemitisme (19981) betoogt Oberman dat Erasmus uitgaat van de eeuwige, niet door doop te verbeteren jood. Luther bood het Joodse volk evenmin perspectief: ‘Dan blijft er voor Joden als Joden geen plaats: anti-judaïstisch is in zijn uitwerkingen anti-joods.’ Nota bene: Erasmus was tegen de gedwongen doop, maar niet tegen de doop uit werkelijke overtuiging van een individuele jood. Hij propageerde het vreedzaam samenleven van christen, jood, Turk en heiden in de hoop dat de dagelijkse vergelijking van hun overtuigingen op den duur in het voordeel van het christelijk geloof zou uitvallen. Luther daarentegen, overtuigd van de nakende eindtijd, verweet de Joden dat zij niet massaal voor zijn Reformatie kozen, en stelde dat zij vervolgd en verjaagd moesten worden. Dat er ook in de ‘erasmiaanse’ samenleving geen plaats voor Joden zou zijn, is een verzinsel van Oberman dat hij waarschijnlijk nodig had om zich als biograaf van Luther moreel staande te houden. In een interview uit 1996 gaf hij toe dat hij er in zijn Lutherbiografie grote moeite mee had om te laten zien hoe Luther zich van anti-judaïst ontwikkelde tot antisemiet. Daarom maakt hij in die biografie van Erasmus een net zo erge antisemiet, waardoor hij hem als excuus voor Luther kan plaatsen. Uiteindelijk vindt Oberman Erasmus zelfs een ergere antisemiet dan Luther.

In deel II meldt Oberman de explosief groeiende literatuur over ‘Luther en de Joden’ die voortkomt uit de discussie in het Duitse taalgebied over de schuld aan Auschwitz en de Holocaust. Weer begint hij met Erasmus, en gebruikt hij het onbegrepen sarcasme, ‘als het haten van Joden een kenmerk is van authentieke christenen, zijn we allen uitstekende christenen’, net als Kisch als bewijs voor de ‘levenslange, diepgewortelde Jodenhaat van Erasmus’. Daarop laat hij volgen: ‘maar omdat de Rotterdammer maar moeizaam met de geschiedenis van het Derde Rijk in verbinding gebracht kan worden, is er bij de poging om de Luther van 1523 apologetisch als Jodenvriend voor te stellen, tot nu toe in de interpretatie het nodige verkeerd gegaan’. Hiermee bedoelt Oberman dat Luther zich in zijn vroege werk soms verzoenend uitlaat over Joden, maar dat zijn latere werk uitgesproken antisemitisch is. In dat verband haalt Oberman een frappant citaat van de jonge Luther uit 1520 aan: ‘Als haat tegen Joden, ketters en Turken iemand tot christen maakt, dan zijn we allemaal de grootste christenen. Als echter de liefde van Christus het kenmerk is, dan zijn wij (christenen) zonder twijfel erger dan Joden, ketters en Turken samen.’ Dit citaat laat zien dat Luther de zinsnede in de brief van Erasmus aan Hoogstraten uit 1519 reeds kende, die parafraseerde, en reeds begrepen had als een sarcasme, terwijl Kisch en Oberman daar vijf eeuwen later niet toe in staat zijn omdat zij Erasmus hoe dan ook als antisemiet willen vastnagelen.

Deze smet op Erasmus willen de mensen meestal niet zien, denkt Oberman, omdat Erasmus de onterechte reputatie van ‘tolerante Europeaan’ heeft. Omdat Oberman Erasmus net als Kisch beticht van levenslange Jodenhaat, terwijl Luther op zijn oude dag antisemiet werd, kan hij Erasmus typeren als ‘ergere’ antisemiet dan zijn held Luther. Zelfs Obermans afsluitende deel III in zijn boek over antisemitisme begint opnieuw met Erasmus. Een voetnoot vermeldt nochtans: “Luther gebruikte een hardheid en een brutaliteit in de taal die ongeëvenaard is gebleven in de Duitse geschiedenis tot aan de Nazitijd.” Veel later vermeldt Oberman hoe meedogenloos Luther stond tegenover de Joden, die de christenen zouden bedreigen door hun ‘onwaarheid’; volgens Oberman is dat “de reden waarom Luther de overheid aanraadt de synagogen als leerhuis van de leugen te verbranden, de rabbijnse boeken te confisqueren of – als er geen ander middel helpt – de Joden die zich niet laten bekeren te verdrijven.”

De bejaarde Luther begint in de eindtijd de strijd tegen de Antichrist, dat is in zijn waan het verbond van Joden, paus en Turken: zijn Reformatie loopt uit op een permanente staat van oorlog tussen christenen onderling en tussen christenen en andere gelovigen. Vergelijk dat met Erasmus’ publicaties over de noodzaak van vrede en verdraagzaamheid binnen de kerk en in de samenleving. Net als Kisch eindigt Oberman met een harde schop onder de gordel van Erasmus. Als hij de hoofdrolspelers aan het einde van zijn Lutherbiografie de revue laat passeren, luidt zijn slotzin over Erasmus: ‘Een vernieuwd Europa was ook voor hem een christelijk Europa zonder Joden’. Erasmus is dus bij Oberman, net als bij Kisch, een Hitler in de dop.

Sinds Oberman waart in Nederland rond dat Erasmus een antisemiet zou zijn. Ik was in de jaren tachtig leraar scheikunde aan het Erasmiaans, bezig met de landelijke Volkspetitie tegen de kruisraketten. Ik vraag me wel in gemoede af: waar waren en zijn de geleerden en historici, humanisten en christenen, medievalisten en Erasmuskenners, die de moed hadden of hebben om voor Erasmus te strijden en het gezag van de autoritaire Oberman, nomen est omen, te betwisten? Ze laten of lieten nog steeds niet van zich horen. Twintig jaar later moest ik dit kwaadaardige sprookje deconstrueren. Erasmus voerde altijd hartstochtelijke polemieken om de waarheid aan het licht te brengen, en in zoverre zijn en waren zij geen ‘erasmianen’ hoeveel lof, verering en vleierij ze ook tot de stadspatroon richten en hebben gericht.

 

Hans Jansen: Joodse instellingen dupe van bedrog

 

Hans Jansen (geboren in 1931) is een voormalig rooms-katholieke priester die dominee en protestants theoloog werd. Hij verzorgde onder meer de tekst van het geïllustreerde boek over antisemitisme dat de Anne Frank Stichting in 1989 liet verschijnen. Het boek bevat een huiveringwekkende opsomming van antisemitisme, van de Romeinse tijd en het vroege christendom tot heden. Erasmus verschijnt daarin aan het slot van het hoofdstuk ‘Tegen het einde van de Middeleeuwen’ via een citaat van Heiko Oberman uit het Erasmusjaar 1986:

 

“Erasmus gaat in zijn intolerantie tegenover Joden veel verder dan Luther. (…) Tot die conclusie moet de historicus wel komen, als hij tenminste als maatstaf voor zestiende-eeuws antisemitisme de beoordeling van de gedoopte jood neemt. Voor Erasmus gold ‘eens een jood, altijd een jood’. Volgens Luther werden jood en niet-jood door de doop elkaars gelijken.”

Het verzet van Erasmus tegen de gedwongen doop van joden hebben Oberman en Jansen dus aangegrepen om van hem een ‘ergere’ antisemiet te kunnen maken dan Luther, terwijl natuurlijk ook bij Erasmus joden die zich uit oprechte overtuiging laten dopen, gewoon gelijk worden aan christenen. Jansen is hier, zoals elders, bewust onoprecht.

 

De Anne Frank Stichting heeft in 2005, zestien jaar na 1989, een herzien boek van Jaap Tanja over antisemitisme uitgegeven: daarin wordt kerkhervormer Luther beschreven als een verstokte antisemiet, maar Erasmus komt in de tekst zelfs niet voor. Oeps, een klein foutje, meneer, zeiden mijn geschokte leerlingen toen ik hen het verschil liet zien tussen hun publicaties van 1989 en 2005. Elders in dat boek van Tanja staat dat de islam nooit uit is geweest op het bekeren van joden, waardoor het antisemitisme in islamitische landen vrij gematigd is in vergelijking met dat in christelijk Europa. Dat ‘niet-bekeren’ is precies wat Erasmus had voorgestaan, terwijl Jansen dat nu laat doorgaan voor een ‘ergere’ vorm van antisemitisme. In een publicatie uit 1999 haalt Jansen maar weer eens het sleutelcitaat van Kisch uit de kast, ‘als het haten van Joden een kenmerk is van authentieke christenen, zijn we allen uitstekende christenen’, en hij zet er meteen bij dat deze zinsnede nota bene het motto was van een rapport van de Synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland (1978), samengesteld door de ‘Deputaten voor Kerk en Israël’, over de diepste wortels van het antisemitisme. Jansen zal zelf in deze idiote miskenning van Erasmus’ grapje de hand hebben gehad.

In 2002 heeft Jansen een essay aan Erasmus gewijd in het wetenschappelijke tijdschrift van de Stichting Auschwitz. Dit is uitgekomen als een boekje met een inleiding waaruit blijkt dat mede door toedoen van deze Jansen het leugenachtige lemma over ‘Erasmus en de Joden’ onderdeel is geworden van de tekst over Erasmus in de Wikipedia. Mijn leerlingen halen daar helaas hun wijsheden over Erasmus vandaan. Het was voor mij met ingang van 2010 duidelijk waar dit alles vandaan komt, en waarom. Overigens, wie kan deze stroom van desinformatie op Wikipedia stoppen? Wordt het geen tijd dat zijn joodse connectie, die Jansens handelingen sanctioneert, de man laat vallen?

Reacties zijn gesloten.